#5 Pas op de plaats

 
In deze blog maak ik pas op de plaats. Het idee interactiviteit heeft contouren gekregen, maar wat is nu de relevantie van dit begrip?  
 
Spoor 1, op zoek naar antwoord op deze vraag:
 
Zondagavond zag ik het televisieprogramma Tegenlicht. Daarin waren de internetgiganten Google en Facebook volop bezig met het online krijgen van de gehele wereld. Drones, satellieten en luchtballonnen met zendcapaciteit worden de lucht in gestuurd om de meest afgelegen plekken ook van wifi te voorzien. Alsjeblieft, gratis en voor niets… een tastbare Cloud die letterlijk op ons neerkijkt. 
 
Tegelijkertijd introduceerde het programma de app White Spots die zichtbaar maakt waar alle zendmasten zich bevinden. Zichtbaar maken met als ultiem doel juist die plek  - the white spot - te lokaliseren waar geen netwerk is, waar je je kan terugtrekken, weg van de continue bereikbaarheid. En ja, die plekken zijn zeer moeilijk te vinden.  
 
Het internet zorgt ervoor dat wij in digitale verbinding staan met elkaar en met de wereld om ons heen. Ook zijn een groot aantal objecten met elkaar verbonden en vormen samen het ‘internet of things’. Zoals de Google adds inspelen op mijn surfgedrag, toont het reclamebord dat ik in een getagged T-shirt voorbijwandel een foto van de bijpassende broek. Het signaal van mijn smartphone opent vervolgens de garagedeur wanneer ik in de buurt van mijn huis kom. De gewenste temperatuur wordt gezocht, de lichten gaan aan en binnenkort is de oven reeds voorverwarmd.  
Of ik zelf op de digitale garageknop druk of dat het mobiele apparaat in mijn jaszak dit bedenkt, voor het digitale netwerk maakt het niet uit. In alle gevallen wordt de boodschap via het internet verzonden. Vanuit het perspectief van de Cloud, is de mens dus ‘slechts’ een van de slimme objecten die ook gewoon data zendt. 
 
Wij helpen zelf mee aan deze objectificatie. We posten onze ideale foto’s, tweeten onze gedachten en liken om te liken. We gebruiken hiervoor keyboard en muis en ‘praten’ door middel van emoticons, afkortingen en symbolen. Hiermee reduceren we onze eigen unieke en fysieke communicatiemogelijkheden tot de mogelijkheden van de computer. Door de standaardapps te gebruiken, worden we deel van de homogene, uniforme groep waarvoor deze digitale middelen en uitingen zijn ontworpen. 
We laten tegelijkertijd enorme hoeveelheden data sporen na, die verzameld en geanalyseerd worden in opdracht van bijvoorbeeld bedrijven met een commercieel doel of (politieke) organisaties die ons gedrag willen voorspellen en eventueel corrigeren. 
 
Google en Facebook streven ernaar om de hele wereld binnen afzienbare tijd te verbinden. Een alles omvattend, eeuwig bewegend netwerk. Maar deze verbonden wereld biedt slechts de schijn van interactiviteit, want heb ik als persoon zichtbaar invloed op het digitale netwerk en kan ik iets unieks bewerkstelligen? 
Steeds vaker wordt de negatieve invloed van de digitale verbondenheid op ons welzijn uitgemeten in de media. De connectivity goeroes komen terug op hun uitspraken en zoeken nu naar wifi-loze plekken om ‘tot zichzelf te komen’, om zich te concentreren of wezenlijk contact met elkaar te maken. 
 
Veroorzaakt het ontbreken van ware gelijkwaardige interactiviteit op internet die huidige tegenbeweging? 
 
Natuurlijk, het internet groeit gewoon door. De vraag is dus: wat willen we eigenlijk ontvangen van het grote net dat steeds strakker wordt gespannen? Naar welke interactieve vorm zijn we op zoek? Wat hebben we nodig?
 
De digitale omgeving leert veel van ons; de computers worden slimmer en krijgen meer en meer menselijke kenmerken. Het posthumanisme stelt al langer: het is niet de mens die boven aan de hiërarchie staat, de wereld van objecten en dieren staan op gelijke voet. 
Wordt het dus tijd om de ons omringende objecten serieuzer te nemen en van hen te gaan leren?
Maar wat willen we precies van hen leren? 
 
To be continued…
 
Door Marloeke van der Vlugt